Snelle marathontijd die niet telt: waarom een erkend parcours ertoe doet
Twee lopers haalden in de Baystate Marathon de limiet voor de Amerikaanse trials, maar hun tijd telt niet. Het verschil tussen een gecertificeerd parcours en een erkende wedstrijd, en hoe je checkt of jouw tijd telt.
Spencer Friske won zondag 18 oktober de Baystate Marathon in het Amerikaanse Lowell in 2.15.04. Dat was sneller dan de 2.16 die hij nodig had voor de Amerikaanse olympische marathontrials van 2028. Bij de vrouwen liep winnares Caitlin McGinley 2.36.08, onder de limiet van 2.37. Een dag later bleek dat geen van beide tijden telt. Het parcours was wel officieel opgemeten, maar de wedstrijd zelf was niet erkend door de Amerikaanse atletiekbond USATF, meldt Runner’s World.
Dat klinkt als een Amerikaans papierprobleem, maar het onderscheid bestaat ook hier. En het raakt niet alleen toplopers. Wie een tijd wil gebruiken voor een startbewijs in Boston of Chicago, of wil weten of zijn persoonlijk record echt 42,195 kilometer was, heeft met dezelfde twee vragen te maken.
Opgemeten en erkend zijn twee verschillende dingen
De Baystate Marathon had een gecertificeerd parcours. Dat betekent dat de afstand volgens de officiële methode is gemeten. Wat ontbrak was de erkenning van de wedstrijd door de bond, in Amerika een “sanction”. Volgens de regels van USATF moet een kwalificatiewedstrijd voor de trials erkend zijn door USATF of door een andere bond die bij World Athletics is aangesloten. Volgens de bond tonen erkende wedstrijden aan dat ze zich houden aan de wedstrijdregels, de veiligheid van lopers en publiek en een goede organisatie. In de database van USATF stond Baystate alleen van 2017 tot en met 2020 als erkend. De wedstrijddirecteur nam tegenover Runner’s World de verantwoordelijkheid op zich.
Het gebeurde eerder. Bij de Marine Corps Marathon van 2025 liep Tessa Barrett een trialstijd van 2.34.08 die ook niet telde, en de Amerikaanse masterloper Gene Dykes zag in 2019 een wereldrecord voor zijn leeftijd vervallen omdat de marathon van Jacksonville niet erkend was.
Hoe het in Nederland zit
In Nederland speelt hetzelfde onderscheid. Een parcours op de weg kan officieel worden opgemeten door parcoursmeters van de Atletiekunie, volgens de methode van World Athletics met een Jones Counter, een teller op het voorwiel van een fiets. Een meetcertificaat is vijf jaar geldig zolang de route gelijk blijft, schrijft de Atletiekunie. Voor ranglijsten en records is zo’n certificaat een voorwaarde.
Daarnaast kiest een organisatie of een evenement een officiële wedstrijd wordt of een recreatieve loop. Bij een officiële wedstrijd geldt het wedstrijdreglement van de bond, met regels voor deelname, drankposten, parcours, start en officials. Voor de snelste wedstrijden is er nog een niveau hoger, het World Rankings Competition-label. Daarvoor zijn onder meer een internationaal parcourscertificaat en officials nodig, en alleen daar kunnen Europese en wereldrecords worden erkend.
De regels voor het parcours zelf zijn streng. Volgens de wegwedstrijdregels mag een parcours niet korter zijn dan de officiële afstand. Bij wedstrijden met het internationale label mag de meetafwijking niet groter zijn dan 0,1 procent, bij de marathon 42 meter. Gemeten wordt langs de kortste lijn die een loper kan volgen. Dat verklaart meteen waarom je horloge na een gecertificeerde marathon bijna altijd meer dan 42,2 kilometer aangeeft. Jij loopt niet de ideale lijn door elke bocht.
Zo check je of jouw tijd telt
Voor de meeste lopers is de vraag niet of een tijd een record wordt, maar of hij geldt als kwalificatietijd. En daar is goed nieuws. Voor Boston is volgens Runner’s World alleen een gecertificeerd parcours nodig, geen erkenning van de bond. Hoe streng Boston verder is met de limiet, lees je in ons overzicht van de Majors en hoe je erin komt.
Twijfel je bij een kleinere wedstrijd, kijk dan op de site van de organisatie of de afstand door de Atletiekunie is opgemeten. Staat dat er niet, mail de organisatie en vraag naar het meetcertificaat en de datum. Een certificaat dat ouder is dan vijf jaar, of een route die sindsdien is aangepast, telt niet. Voor wie op een olympische of internationale limiet mikt, zoals Mikky Keetels deed in Valencia, gaat het nog een stap verder en moet de wedstrijd ook het juiste label hebben.
Ik vind het verhaal van Friske en McGinley vooral wrang omdat het zo makkelijk te voorkomen was. Volgens Runner’s World zou de erkenning voor een wedstrijd van die omvang ongeveer 2.000 dollar hebben gekost, minder dan een dollar per finisher. Twee lopers moeten nu opnieuw een marathon op de limiet lopen. Wie zelf een belangrijke tijd wil neerzetten, controleert dus vooraf wat de wedstrijd op papier heeft, en niet pas als de klok al stilstaat.
