Naar de inhoud
Trainingen

Tom Dumoulin snel in New York: wat een wielrenner meeneemt naar de marathon

Tom Dumoulin liep 2.27.12 in New York. Wat de motor van een toprenner meebrengt naar de marathon, wat hij mist en wat je er als gewone loper mee kunt.

Marathonloper op een stadsstraat tijdens een wedstrijd

Tom Dumoulin liep zondag 1 november de marathon van New York in 2.27.12, ruim twee minuten sneller dan zijn debuut in Amsterdam vorig jaar, meldt WielerFlits. Dat is gemiddeld 3.29 per kilometer op een parcours met bruggen, en dat van een man die zichzelf hobbyloper noemt. De vraag is niet of dat knap is. De vraag is wat die wielermotor nou precies meebrengt naar de marathon, en vooral wat niet. Daar kun je als gewone loper meer mee dan met de eindtijd.

Het hart-longsysteem gaat mee, de benen niet

Dumoulin legde het voor Amsterdam zelf uit. Zijn hart-longsysteem zou een marathon van 2.15 aankunnen, zei hij, maar zijn spieren, pezen en botten waren nog niet zover, schreef In de Leiderstrui. Hij vergeleek het later met een Ferrari-motor in een Fiat Punto.

Dat beeld klopt aardig met wat er bekend is over fietsen en lopen. Een overzicht van Marathon Handbook zet het op een rij. De aerobe conditie neem je grotendeels mee, omdat die vooral door hart en bloedsomloop wordt bepaald. Loopeconomie, hoe zuinig je per kilometer omgaat met je energie, gaat niet mee. En pezen reageren op zware rek, die je op de fiets nauwelijks krijgt. Je achillespees leert op de fiets dus weinig bij.

Dumoulin liep daar in de praktijk tegenaan. In januari 2025 vertelde hij de NOS dat hij een goede marathon wilde lopen, maar dat vier tot vijf keer per week hardlopen hem nog overal klachten gaf. Zijn voorbereiding op Amsterdam noemde hij later lopen op een balancerend koord, tussen genoeg kilometers maken en heel blijven.

Amsterdam was het bewijs, New York de correctie

Hoe groot het gat tussen motor en onderstel is, zag je vorig jaar in Amsterdam. Dumoulin ging door op ongeveer 1.09 op de halve marathon, op schema voor zo’n 2.18, en liep de tweede helft dus ruim tien minuten langzamer. Zijn eindtijd van 2.29.21 bleef net binnen zijn doel, maar op de vraag of het overmoed was, zei hij dat je dat wel kon stellen.

Het cijfer dat mij het meest opvalt, zit in dat verhaal. Zijn langste training was 34 kilometer, op zo’n 4.20 per kilometer. Zijn wedstrijdtempo moest rond de 3.30 liggen. Dat is 50 seconden per kilometer verschil tussen de langste training en de race. Zijn conditie kon dat aan, zijn benen hadden dat tempo over die afstand in training nooit gezien.

In New York ging het twee minuten sneller op een zwaarder parcours. Tussentijden vonden we niet in de bronnen, dus hoe hij het precies indeelde, kunnen we niet zeggen. Hij schreef na afloop op Instagram dat hij van elke minuut had genoten, en grapte volgens Domestique dat hij de dagen erna vooral zou schuifelen. Hij is overigens niet de snelste van het peloton, zo merkt Het Is Koers op. De nog actieve renner Alexis Brunel liep dit jaar 2.26.50 in Lille. Meer over hoe hij als loper begon en wat hij eerder liep, staat in ons profiel van Dumoulin.

Wat je er als gewone loper mee kunt

Je hoeft geen Giro gewonnen te hebben om dezelfde val te herkennen. Wie veel fietst of jaren aan een andere duursport deed, heeft vaak meer longen dan benen. Dat voelt heerlijk, want je kunt al vroeg hard, en precies daar gaat het mis. Drie dingen kun je overnemen.

Ten eerste, laat je ademhaling niet de baas zijn over je opbouw. Als praten nog makkelijk gaat, zegt dat iets over je conditie, maar niets over je pezen. Bouw kilometers op volgens wat je benen aankunnen, ook als het rustig voelt.

Ten tweede, gebruik de fiets waar hij goed in is. Hij kan een deel van de looptraining vervangen zonder dat je conditie instort. Marathon Handbook verwijst naar een kleine studie uit 1993, waarin de helft van het looppensum vijf weken werd vervangen door fietsen zonder verlies op de 5 kilometer. Dat is een klein onderzoek van lang geleden, dus zie het als een aanwijzing. Handig is het vooral rond blessures, zoals we uitlegden in ons stuk over crosstraining. Maar pezen en botten train je er niet mee, die hebben het lopen zelf nodig.

Ten derde, kijk naar het gat tussen je langste training en je wedstrijdtempo. Is dat groot, dan weet je wat de laatste tien kilometer gaat doen. In Amsterdam ving de motor van Dumoulin dat nog net op. Bij een marathon van vier uur heb je die buffer niet. Begin dan iets rustiger dan je conditie zegt, en bewaar de Ferrari voor de laatste kilometers.

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *